De beperking van fotografie

Volgens Roger Scruton zijn foto’s van nature transparant. Een foto geeft zijn subject ‘bloot’ weer. Zij voegt immers niets toe aan de afbeelding wat niet al een eigenschap van het afgebeelde zelf is. Hieruit concludeert hij dat foto’s inherent pornografisch zijn. Ik zal betogen dat deze conclusie te ver gaat. Want hoewel foto’s zelf niets toe kunnen voegen, kunnen ze wel iets wegnemen. En datgene wat een foto niet kan overnemen zorgt ervoor dat een fotografische afbeelding ons nooit geheel in contact met het afgebeelde kan brengen. Walter Benjamin zal mij bijstaan deze stelling te verdedigen.

In tegenstelling tot bijvoorbeeld een schilderij, veronderstelt een foto het bestaan van haar subject. De afbeelding staat in een causale relatie tot de objecten die de afbeelding constitueren. Haar bestaan is ervan afhankelijk. Middels een foto worden de voor de lens zichtbare eigenschappen van het afgebeelde één op één doorgegeven. Alles wat een foto kan laten zien is gevolg van eigenschappen van objecten, niets meer. Schilderijen kunnen wel buiten dit kader bewegen. Zij kunnen intenties, gedachten of fantasieën van de schilder representeren. Iemand die een fotografische afbeelding bekijkt, kan hierin ook intenties, gedachten of fantasieën van een kunstenaar aantreffen, denk aan een fotografische reproductie van een schilderij, maar deze intentionaliteit zat al in het schilderij voordat de foto werd genomen.

De bedoeling van een foto is dan ook vaak weinig meer dan een situatie of object vastleggen, zodat deze bekeken kan worden op afstand. Dat wil zeggen, zonder dat de waarnemer aanwezig hoeft te zijn bij de vastgelegde stand van zaken. Volgens Roger Scruton is deze afwezigheid twijfelachtig. Want is het niet zo dat het subject van de foto nabij wordt gebracht door de foto? Hoezo is ze niet aanwezig als ze toch ongefilterd, één op één, door het oog waar te nemen is? Een foto is volgens Scruton een hulpmiddel voor de ogen om toegang te krijgen tot een object, wat zonder dit hulpmiddel buiten haar bereik zou liggen.

Scruton concludeert de pornografische aard van foto’s uit een ontologisch argument. Omdat een afbeelding het bestaan van haar subject garandeert (of tenminste dat het subject ooit bestaan heeft), bepalen de bestaansvoorwaarden van de objecten die gefotografeerd worden de uitkomst op de foto. Er is hier echter meer aan de hand dan Scruton wil toegeven. Hoewel elke afbeelding bepaald wordt door het afgebeelde, hebben ze niet dezelfde ontologische status. Waar het afgebeelde temporele en modale eigenschappen bezit, heeft de afbeelding dat van zichzelf niet. Zij geeft enkel de indruk hiervan door via haar medium. Dit verschil ontkent Scruton niet. Hij ontkent wel dat de manier waarop we van beiden kennis nemen verschilt.

Walter Benjamin houdt hier wel rekening mee. Het is volgens hem van wezenlijk belang voor de receptie van een object of dit geschied via directe waarneming of via indirecte waarneming. Om dit toe te lichten grijpt hij terug naar de Griekse Oudheid. Hij denkt aan beeldhouwwerken van goden in tempels. Zij waren onderdeel van een ceremonie, voornamelijk religieus bedoelt. Via godenbeelden wilden waarnemers in contact komen met de goden. Door zich op de beelden te concentreren kregen de goden voor even psychologische realiteit in de toeschouwer. Om dit te ervaren was het noodzakelijk dat er direct contact plaatsvond. Niet alleen vanwege het gebrek aan technologische middelen om op andere wijze met de objecten in contact te komen, maar vooral omdat het noodzakelijk was om de specifieke relatie aan te gaan die nodig was om de aanwezigheid van de goden überhaupt te ervaren.

De beelden kregen hun specifieke betekenis door specifieke goden uit de Griekse mythologie te vertegenwoordigen. Om deze betekenisvolle inhoud niet alleen intellectueel te begrijpen, maar te beleven en psychologische realiteit te geven, was niet alleen deelname aan en kennis van de betreffende cultuur van belang. De godenbeelden zelf waren voertuigen om tot deze ervaring te komen en men moest zich daarom letterlijk oppervlakkig tot de beelden verhouden. Alleen dan kunnen de uniekheid, de nabijheid en de historische aanwezigheid van de beelden worden waargenomen. Benjamin noemt dit de aura van een object. Dit is een andere manier van kennen dan we een fotografische afbeelding kennen, aldus Benjamin. Mechanische reproductie kan de uniekheid en de historische aanwezigheid van een object niet overnemen. Het contact dat we met het object leggen is hierdoor vluchtiger. Een fotografische afbeelding geeft niet langer het aura van het afgebeelde object weer.

Fotografie is een beperkt medium. Zowel Scruton als Benjamin beweren dat. De eerste wijst erop dat foto’s niets toevoegen aan de representatie en de laatste dat foto’s geen aura kunnen overdragen. Hoewel ze beiden andere conclusies trekken, is het niet ‘eerlijk’ om ze als wederzijds exclusief te beschouwen. Er moet evenwel toch gesnipperd worden aan Scruton’s standpunt, omdat hij onvoldoende rekening houdt met de wezenlijke verschillen tussen directe en indirecte waarneming. Benjamin toont dit aan. Foto’s zijn wel gedeeltelijk transparant, omdat ze objecten weergeven volgens de werkelijkheid, maar ik noem dit zachte transparantie. Voorts stel ik in tegenstelling tot Scruton dat ze niet pornografisch zijn, want dat is een (te) harde vorm van transparantie. Een foto is bewijs van het bestaan van haar subject, maar daarmee is dit bestaan nog niet blootgegeven. Foto’s doen daarin het afgebeelde tekort.


5 reacties on “De beperking van fotografie”

  1. dinantk's avatar dinantk schreef:

    eenduidig Stefan, Oké

  2. stuf's avatar stuf schreef:

    lekker simpel toch?

    PS hoe genereren ze die ‘related posts’ in godsnaam?

  3. Thomas's avatar Thomas schreef:

    Strak en duidelijk hoor Stefan, niks mis mee. Denk even na over een overkoepelende noemer voor jouw stukjes.

  4. stuf's avatar stuf schreef:

    al een beetje gedaan. als ik wat heb gevonden dan merk je het wel


Geef een reactie op stuf Reactie annuleren